Denkontwikkeling

Bookmark and Share

Denken tussen 1 en 2 jaar

Langzamerhand ontdekken kinderen tussen de 1 en 2 jaar steeds meer van de wereld. Een belangrijke stap is dat ze zich een voorstelling in hun hoofd gaan maken van dingen of personen die verdwijnen. Ze kunnen dan bijvoorbeeld het beeld van mama in hun hoofd 'vasthouden' als mama verdwijnt. Als mama even de kamer uit is, raken ze niet in paniek. Ze weten dat mama weer terugkomt. Je kind leert meer begrijpen en het geheugen is zich sterk aan het ontwikkelen.

Denken tussen 2 en 3 jaar

Op deze leeftijd gaan kinderen steeds duidelijker beseffen dat ze zelf dingen kunnen veroorzaken. Ze onthouden ervaringen beter en gebruiken dit dan in andere situaties. Als je kind bijvoorbeeld weet waar de afstandsbediening voor is, weet het dit niet alleen thuis maar ook bij oma. Het is nu ook mogelijk om met je kind te praten over iets dat net gebeurd is, bijvoorbeeld de eendjes voeren.

Het hier en nu

Toch zijn tweejarigen nog vooral gericht op wat er 'hier en nu' is, dus op wat ze daadwerkelijk zien en meemaken. Ze hebben nog weinig beelden in hun hoofd, nog weinig geheugen. En ze kunnen zich ook nog niet inleven in wat andere mensen weten, denken en voor gevoelens hebben. Dat ontstaat tussen 3 en 5 jaar.

Een voorbeeld

Je geeft kinderen een doos met op de bodem een tekening en je vraagt om de tekening te laten zien. Kinderen tussen 1,5 en 2 jaar laten de tekening zo zien dat ze deze zelf ook zien. Deze kinderen hebben nog geen ‘beeld’ van de tekening in hun hoofd. Als ze de tekening niet meer zien is die er niet meer. Rond 3 jaar laten kinderen de doos echter zo zien, dat ze de tekening zelf niet zien. Kinderen hebben nu wel een ‘beeld’ van de tekening in hun hoofd. Ze weten dat de tekening er is, ook al zien ze die niet.

Denken tussen 3 en 4 jaar

Een kind van 2 jaar is nog gericht op wat er op dat moment is: het hier-en-nu. En niet hoe iets zo gekomen is, op het voorafgaande proces. Driejarigen beginnen geleidelijk dat proces in de gaten te krijgen. Ze hebben dan een beter beeld in hun hoofd van wat er is gebeurd en hoe dat gekomen is. Wel lopen fantasie en werkelijkheid nog vaak door elkaar. Je kind begrijpt soms nog niet goed wat echt is en wat niet echt is.

Het eigen gezichtspunt

Een tweejarige denkt vanuit het eigen lichaam: zoals het kind de dingen ziet. Je kind weet nog niet hoe andere mensen dingen zien. Als voorbeeld een bekend experiment. Er zit een pop naast 3 bergen. Jonge kinderen kunnen zich niet verplaatsen in hoe de pop de bergen ziet. Ze vertellen wat ze zelf zien. Kleuters kunnen wel vertellen hoe de pop de bergen ziet.