Kinderen leren alles om hen heen steeds beter begrijpen en onthouden. En ze leren wat ze moeten doen om iets op te lossen, bijvoorbeeld om pakt iets wat hoog ligt te pakken door op een stoel te klimmen.
Denken
Denken heeft te maken met taal, met begrijpen, met onthouden (geheugen) en met het oplossen van ‘probleempjes’. Hoe meer ervaringen kinderen opdoen, hoe meer ze gaan begrijpen en onthouden.
Waarom kunnen kinderen leren?
Kinderen zijn in staat om te leren, omdat hun geheugen zich ontwikkelt, ze abstracter gaan denken en ze informatie leren indelen. Ook leren kinderen doordat ze mensen om zich heen hebben, die ze dingen zien doen. Ze observeren hen en gaan hen nadoen. Dat leren gebeurt trouwens alleen als volwassenen iets doen of zeggen wat aansluit op het begripsvermogen en de bestaande kennis van het kind op dat moment.
Hoe verloopt het?
Leren is een proces dat te maken heeft met het denkvermogen en met het verwerken van informatie. Kinderen verwerken de informatie die ze krijgen. Dat wil zeggen dat kinderen informatie opslaan, ordenen, verbanden leggen met wat ze al weten en de informatie toepassen in nieuwe situaties.
Voorbeeld
Sam kent het begrip 'vogel' en hij weet al dat vogels vliegen. Nu ziet hij een vliegtuig in de lucht en roept 'vogel'. Zijn vader vertelt hem dat dit een vliegtuig is. Het woord ‘vliegtuig' wordt in de hersenen van Sam opgeslagen bij 'dingen die kunnen vliegen'. Hij heeft iets geleerd en kan het ook toepassen: de volgende dag ziet hij een vliegtuig en roept 'tietuig'.
Eigen tempo
Alle kinderen maken dezelfde denkontwikkeling door. Ieder kind in een eigen tempo. Aanleg speelt hierbij een rol. Maar ook hoe ouders kinderen in alledaagse situaties in en om het huis uitdagen om na te denken.